In de zomer van 1956 kwamen tien wetenschappers bijeen op Dartmouth College in New Hampshire, Amerika. Ze waren er zes weken. Wat ze daar bedachten en bespraken, zou de loop van de technologiegeschiedenis veranderen.

Het was John McCarthy — een 29-jarige wiskundige van MIT — die het initiatief nam. Samen met Marvin Minsky, Nathaniel Rochester en Claude Shannon schreef hij een voorstel voor een zomerstudie met een aanname die destijds bijna naïef klonk:

“Every aspect of learning or any other feature of intelligence can in principle be so precisely described that a machine can be made to simulate it.”

Waarom dit de geboorte van AI was

Vóór Dartmouth bestond het vakgebied niet. Er was onderzoek naar neurale netwerken, speltheorie, cybernetica — maar er was geen gemeenschappelijke naam, geen community, geen gezamenlijk doel. Dartmouth gaf het allemaal een naam: Artificial Intelligence.

McCarthy introduceerde de term bewust om af te stappen van eerdere labels zoals “cybernetics”. Hij wilde een frisse start, een eigen identiteit voor een nieuw vakgebied.

Wie waren erbij?

De deelnemers van Dartmouth waren bijna allemaal mensen die de komende decennia AI zouden vormgeven: Marvin Minsky (mede-oprichter MIT AI Lab), Claude Shannon (grondlegger van de informatietheorie), Herbert Simon en Allen Newell (die hun Logic Theorist presenteerden — een vroeg AI-programma dat wiskundige stellingen bewees).

De conferentie zelf leverde geen grote doorbraken op. Maar de naming — het moment dat het vakgebied een eigen identiteit kreeg — maakte Dartmouth historisch. Fondsen kwamen vrij, universiteiten richtten AI-labs op, en een generatie wetenschappers had eindelijk een vlag om achter te scharen.

70 jaar later is het vakgebied dat in een zomerhuis in New Hampshire werd benaamd, uitgegroeid tot een van de meest bepalende technologieën van de mensheid.