Tot 2024 waren grote taalmodellen vooral conversatietools: je stelde een vraag, je kreeg een antwoord. Intelligent, soms indrukwekkend, maar passief. In 2024 veranderde dat. Modellen kregen de mogelijkheid om actie te ondernemen.

Dit zijn AI Agents: systemen die niet alleen antwoorden geven, maar taken uitvoeren — code schrijven en runnen, het web doorzoeken, bestanden aanmaken, e-mails sturen, databases raadplegen, formulieren invullen. Ze werken stap voor stap, evalueren hun eigen voortgang en passen hun aanpak aan als iets niet werkt.

Wat agents mogelijk maakt

De sleutel was tool use: modellen leren hoe ze externe tools aanroepen. Een browser. Een Python-interpreter. Een zoekmachine-API. Een database. Met tools kunnen modellen informatie ophalen die niet in hun training zat, berekeningen uitvoeren die te complex zijn voor pure tekstgeneratie, en veranderingen aanbrengen in de echte wereld.

Anthropic lanceerde hiervoor Claude’s tool use (function calling). OpenAI lanceerde GPT Actions en later Operator — een agent die websites kon bedienen. Google lanceerde Project Mariner. Allemaal met hetzelfde doel: van chatbot naar taakuitvoerder.

De implicaties

De verschuiving van “informatie geven” naar “dingen doen” heeft enorme implicaties. Als een agent zelfstandig software kan schrijven, deployen en testen — wat doet dat met de rol van een ontwikkelaar? Als een agent e-mails kan beantwoorden, afspraken kan inplannen en rapporten kan schrijven — wat doet dat met de rol van een assistent?

De eerste agentic toepassingen kwamen in 2024 voorzichtig op de markt. Cowork van Anthropic, Devin (een AI software engineer), AutoGPT en vergelijkbare systemen lieten zien wat mogelijk was. De betrouwbaarheid was nog wisselend — agents maakten fouten en konden soms onbedoelde nevenschade veroorzaken.

Maar de richting was duidelijk: AI gaat van passief antwoorden naar actief handelen. De vraag is niet meer of dat gebeurt, maar hoe snel en hoe veilig.