Op 30 november 2022 lanceerde OpenAI een chatbot. Geen grote aankondiging, geen persconferentie. Gewoon een link op Twitter. Binnen vijf dagen hadden een miljoen mensen een account aangemaakt. Binnen twee maanden honderd miljoen. ChatGPT werd het snelst groeiende consumentenproduct in de geschiedenis.
Niets was meer hetzelfde na die dag.
Wat ChatGPT anders maakte
GPT-3 bestond al twee jaar. Maar het was een ruwe API — technisch, ontoegankelijk. ChatGPT verpakte hetzelfde soort model (GPT-3.5) in een chatinterface die iedereen kon gebruiken. Geen technische kennis vereist. Gewoon typen.
De andere sleutel was RLHF (Reinforcement Learning from Human Feedback): menselijke trainers beoordeelden antwoorden en ChatGPT leerde wat goede antwoorden waren. Het resultaat was een model dat behulpzamer, vriendelijker en minder gevaarlijk was dan de ruwe GPT-versies.
De culturele impact
ChatGPT werd direct onderwerp van gesprek in families, boardrooms en parlementen. Scholen verboden het. Journalisten schreven er bang over. Google verklaarde intern een “code rood” en versnelde zijn AI-inspanningen. Microsoft investeerde 10 miljard dollar in OpenAI en integreerde AI in Bing, Word en Teams.
Het was het eerste moment dat het grote publiek — niet alleen technici — AI zag als een echte kracht die hun leven zou raken. De discussies die al jaren in labs en papers werden gevoerd, kwamen plots in elk huiskamergesprek terecht.
De concurrentierace begon
Google lanceerde Bard (nu Gemini). Anthropic lanceerde Claude. Meta lanceerde LLaMA. Elk groot techbedrijf ter wereld heroriënteerde zijn strategie richting AI. De modellenwedloop — wie heeft het snelste, slimste, veiligste model? — was begonnen.
ChatGPT was niet het slimste model, niet het meest geavanceerde. Het was het model dat AI democratiseerde. Dat is zijn historische betekenis.